Hanna, Emma en Emilie

Emilie

april 2006

Tot daar! Emilie legde het manuscript waarin ze had zitten lezen, naast zich op de bank. Straks las ze wel verder over Hanna. Eerst koken. Hoewel ze er nog niet veel zin in had, voelde ze zich niet meer zo vreselijk down en lusteloos als een paar uur daarvoor.

Alles in haar appartement had haar toen tegengestaan. Misschien kwam het door het weer; het was grauw, herfstig weer, hoewel het begin april was. Toen ze zichzelf dwong om een beetje op te ruimen, kwam ze een verdwaalde sok van Ray tegen. Ook dat nog! Ze stopte met opruimen en maakte een kop koffie. Van de warme mok ging wel iets troostends uit, maar niet veel.

Ray waar ben je? vroeg ze aan de ruimte. Misschien dat hij het opving. Ze zou hem kunnen  mailen, bellen, wat dan ook. Er bestonden geen afstanden meer. Maar het had geen zin.  Ze moest zichzelf sparen. Twee tranen drupten in haar koffie.Ze was ook nog haar baan kwijtgeraakt. Het reisbureau waar ze werkte kreeg al steeds minder klanten en de sluiting kwam onverwacht snel en zonder uitzicht op ander werk. Nu zat ze thuis, zonder werk, zonder relatie. En met, zoals ze het zelf wat dramatisch noemde, een gebroken hart.

Ze keek naar de streep zonlicht waarin onvoorstelbaar veel stofdeeltjes in een moordend tempo rond dwarrelden. Het waren de enige bewegende elementen in de kamer. Ze had niet eens een huisdier. Alleen wat planten. Ze zuchtte. Ze wilde iemand bellen, maar wie?  Haar vriendinnen hadden allemaal wel werk, en tegen haar moeder had ze de laatste tijd ook al heel wat zitten klagen. Iedereen had geduldig en vol begrip  geluisterd. En dan zeiden ze dingen als: ‘Het kost tijd, maar het komt weer goed. Geef het een plaatsje. Je ontmoet wel weer iemand. Je vindt wel weer werk. Je wordt wel weer gelukkig.’ Het waren bijna bezweringen. Terwijl ze steeds intenser naar de dansende stofdeeltjes keek, leek het of ze erin werd opgezogen, als in een oneindig heelal. Alsof er niets anders meer bestond dan die baan van zonlicht met die deeltjes.

Ze stond op en verbrak de lichtbaan. Ze liep naar de spiegel in de badkamer en zag haar gewone zelf: vrouw, midden twintig, donkerblond stijl halflang haar, groene ogen. Niet te dik, niet te dun. Aardig, maar niet bijzonder. Ze keek zichzelf dieper in de ogen. Ze straalden niet, maar stonden ook niet dof. Neutraal, gelaten, die omschrijving paste het beste. Ze liep terug door de gang, naar de kamer. Die was al net zo: niets sprankelde, al had ze haar best gedaan om hem sfeervol in te richten. Aardekleuren, planten, posters aan de muur, mooie reissouvenirs. Er kwam een akelig gevoel op, een soort heimwee, ze kreeg een prop in haar keel. Het gevoel zwol aan tot wanhoop. Het leek een beetje op de ijlkoortsen die ze als kind had gehad; die zorgden ook voor totale paniek. Alsof er niemand meer was om haar te redden van haar wanen.

Nu ijlde ze niet, maar het gemis van iets onzegbaars was bijna ondraaglijk. Ze rende naar de kapstok en schoot in haar jas, trok de deur van het appartement achter zich dicht en holde de twee trappen af naar buiten, de straat op. Gelukkig zakte het akelige gevoel net zo snel als het was opgekomen, alleen de herinnering eraan bleef wel aan haar kleven. Ze sloeg zonder plan rechtsaf. Er woei een gure wind. In de straat stonden geen bomen; het enige groen kwam van de geveltuintjes, maar die bloeiden  nog niet, behalve wat voorjaarsbloemen en de wintervaste planten in potten. Zonder zon en schaduw leken de drie-etagehoge huizen van lichtrood baksteen grauw, hoewel ze zich vaag herinnerde dat ze het de afgelopen jaren eigenlijk wel een redelijk zonnige en aangename straat had gevonden. Maar nu niet.

Waar kon ze heen? Ze moest iemand spreken, dat was urgent. Iemand die misschien iets anders zei dan de refreinen van haar vriendinnen en haar moeder. Hanna, dacht ze ineens, haar oma. Vroeger noemde ze haar oma, of oma Hanna. Maar zoetjesaan was het Hanna geworden. Ze was nu vierentachtig, maar als je zei dat ze begin zeventig was, geloofde je het ook met haar slanke postuur en  rossig blonde haar dat in mooie lokken om haar lieve hoofd viel.

Emilie belde haar op om te zeggen dat ze eraan kwam. Ondertussen twijfelde ze alweer. Haar paniekgedachten waren weer tot normale proporties geslonken en haar vragen en problemen ook. Waarmee zou Hanna haar kunnen helpen?  Met zaken op een rijtje zetten? Met weten wat ze wilde in haar leven omdat ze zich dolend voelde? Ze liep terug naar huis en haalde haar fiets van het slot. Het was maar twintig minuten fietsen naar het huis van haar grootouders. Ze hadden jaren geleden, door een kleine erfenis, een mooie flat kunnen kopen aan de rand van een grote plas. De kamers lagen op  het zuidwesten en keken uit over het water.

 ‘Wat fijn  dat je komt,’ begroette Hanna haar met een glimlach. ‘Alleen is opa naar z’n biljartclub.’ Hoe gek Emilie ook op hem was, nu kwam het goed uit. Ze glimlachte vergoelijkend en liep achter Hanna aan door de gang met hier en daar een schilderij of beeldje dat Hanna zelf had gemaakt. In de ruime, lichte woonkamer ging ze op de behaaglijke zachtgele bank zitten en keek rond terwijl Hanna thee inschonk. Het was hier altijd aangenaam, dat had ze als kind al gevonden. De kunstvoorwerpen, de vele planten die Hanna met liefde verzorgde, altijd een mooie bos verse snijbloemen op tafel, het zonlicht dat  getemperd binnen viel op het parket.

‘Hoe gaat het​?’ vroeg Hanna. Emilie haalde haar schouders op.  ‘Niet goed, maar dat weet je.’ Ze tutoyeerde oma en opa altijd al. Hanna knikte. ‘Wat wil je weten? Of vragen? Ik denk dat je daarvoor komt, toch?’ Emilie was blij dat Hanna niet eerst over koetjes en kalfjes was begonnen. ‘Ik weet niet wat ik met mijn leven aan moet,’ zei ze. Het knalde eruit, en ze ging meteen door, ‘wat voor werk ik wil, echt wil. Wat voor relatie. Of ik wel een relatie wil. Hoe ik moet leven. Hoe ik gelukkig kan worden. Maar dat is niet eens het belangrijkste. Er is nog iets anders, maar ik weet niet wat.’ Hanna keek haar ernstig aan, met toch nog die zweem van een glimlach. ‘Dat zijn heel wat vragen,’ zei ze. ‘En je hoopt dat ik daar antwoord op kan geven?’ Ze lachten allebei, niet hardop natuurlijk, zo grappig was het nou ook weer niet. Maar het leek alsof ze zich al een klein beetje lichter voelde, alleen al door hier te zitten, in deze kamer, bij Hanna. ‘Heb jij je ooit zo gevoeld, zo doelloos, zo leeg?’ vroeg Emilie. ‘Herken je dit?’ Hanna knikte. ‘Oh, zeker. Er zijn tijden geweest  waarop ik om zo te zeggen het licht aan het eind van de tunnel ook niet zo goed meer zag. Maar het is toch altijd weer goed gekomen.’ ‘Maar hoe deed je dat dan?’ Hanna keek wat dromerig. ‘Ik deed niets speciaals. Het gebeurde gewoon. En ik heb ook geluk gehad. Ik heb telkens mensen om me heen gehad van wie ik veel hield, of houd. Ik heb opa. En je moeder en jou. En zo nog een paar mensen.’ Ze stopte even, alsof ze van wat verder weg nog iets erbij moest halen. ‘En ik had mijn moeder! Van haar hield ik zielsveel. Te veel eigenlijk. Als ik haar ooit zou verliezen, zou mijn leven onmogelijk worden.’ Ze zuchtte. ‘En weet je, ik verloor haar. En veel eerder dan ik had verwacht!’ ‘Dat moet verschrikkelijk zijn geweest,’ zei Emilie zacht. ‘Ja, het was vreselijk! Maar toch: mijn leven werd niet onmogelijk. Ik kon toch doorgaan en weer gelukkig worden. Dat is eigenlijk heel in het kort wat ik je vanmiddag kan meegeven.’ ‘Dat zegt iedereen,’ mompelde Emilie. ‘Geloof je dat dan niet?’ Emilie haalde haar schouders op. Hanna zweeg. Toen keek ze op haar horloge. ‘Ik vind het heel vervelend om te zeggen, maar opa en ik moeten vanavond vroeg de deur uit, naar de bridgeclub. Dus eigenlijk moet ik over uiterlijk een half uur aan het eten beginnen! Maar ik heb wel een voorstel. Kom eens mee.’

Emilie volgde haar naar een zijkamer. Daar hingen een paar ingelijste foto’s. Die had ze al vaker gezien natuurlijk, en ook wel bekeken, maar nu had ze er meer aandacht voor. Duidelijk poserend bij een fotograaf, zoals in die tijd werd gedaan, zat een vrouw van midden dertig op een stoel. Naast haar keek een meisje van ongeveer twaalf serieus in de camera. Aan de andere kant zat nog een meisje, niet veel ouder dan een jaar of zeven. Ze keek ook in de camera, maar ze poseerde veel minder dan de andere twee; ze was zich voornamelijk bewust van haar moeder naast haar, en leunde innig tegen haar aan. ‘Dit is mijn moeder, Emma; je bent naar haar vernoemd, dat weet je.’ Hanna wees op de foto.  ‘En dat is mijn zus Machteld en die jongere ben ik.’

Emilie wist het, maar na wat Hanna zojuist had verteld, keek ze nu anders naar de foto. ‘Was Machteld ook zo aanhankelijk?’ ‘Ach, Machteld,’ zei Hanna, ‘dat is een verhaal apart. Ja, ze hield ook heel veel van mijn moeder. Maar ze woonde niet bij ons. En daar is ze haar hele leven verdrietig en boos om gebleven. En jaloers op mij. Omdat ik wel bij mijn moeder mocht blijven.’ ‘Waarom woonde ze niet bij jullie?’  ‘Dat vertel ik je graag een andere keer. Maar kijk nog even naar deze foto.’

Op de tweede foto die ze aanwees stond een heel rijtje kinderen op een kade voor een rijnschip. ‘Je weet dat ik tot mijn vijftiende op een schip heb gewoond hè? Dit is het schip, en dit ben ik.’ Hanna was daar een paar jaar ouder dan op de eerste foto; en ze had nu lang haar. Naast haar stond een jonge vrouw met donkere vlechten. ‘Dat is Machteld weer. En naast mij staat Derk, mijn neefje, hij was drie jaar jonger. En daarnaast weer zijn twee zusjes, Jo en Annie.’  Op de foto waren dat nog kleuters. ‘Je weet misschien ook dat het schip van mijn grootvader was. Hij was schipper, en we voeren altijd over de Rijn heen en weer om goederen te verschepen van Amsterdam of Rotterdam naar Duitsland en terug. Hij kon het niet alleen en daarom woonden zijn zoon Hilbert met zijn vrouw Meintje en hun drie kinderen ook aan boord. En mijn moeder en ik dus. We waren met zijn negenen, vijf volwassenen en vier kinderen.’ ‘En Machteld niet,’ zei Emilie en ze had, na al die jaren, medelijden met Machteld, hoewel ze geen flauw idee had waarom die er niet nog bij had gekund. Maar ze vroeg het niet, ze kreeg het wel te horen. Hanna schudde wat bedroefd haar hoofd. Had ze ook medelijden met haar zus?

Ze liep naar een glanzend notenhouten bureau en schoof een la open. Ze haalde er een dik pak papier uit. Op de eerste pagina stond, met grote letters:

Hanna en haar moeder

Hanna stond een beetje verlegen met het pak in haar handen. ‘Dit is een manuscript,’ zei ze. ‘Een poos geleden al, had ik er behoefte aan om het verhaal van mijn leven, of eigenlijk het verhaal van mij en mijn moeder op te schrijven.  Toen het af was, heb ik het in de la gestopt. Ik was van plan om het ooit nog eens in  boekvorm te laten printen. Niet om het uit te geven hoor, daarvoor is het te persoonlijk, maar in een kleine oplage van drie exemplaren, een voor onszelf, een voor je moeder, en een voor jou. Maar het is er nooit of nog niet van gekomen. Toevallig dacht ik er onlangs aan. En nu ben jij hier en je vraagt hoe ik mijn leven heb geleefd en hoe ik het gered heb, ondanks verdriet en tegenslag. Dat is voor iedereen natuurlijk anders. Maar omdat je het aan mij vroeg, dacht ik daarnet, dat je, om te beginnen, misschien dit manuscript zou kunnen lezen, als je het tenminste wilt.’

Ze stonden elkaar even aan te kijken. Ze had dit helemaal niet verwacht, het voelde als een cadeautje dat Hanna zomaar uit een hoge hoed had getoverd. ‘Ja, graag!’ zei ze toen, nam het manuscript aan en keek even vluchtig naar de eerste volle pagina. ‘Ik heb het niet in de ik-vorm geschreven,’ zei Hanna. ‘Wel geprobeerd, maar het schreef niet lekker. Toen ben ik overgestapt op Hanna. Zo kon ik een beetje afstand nemen van mezelf.’ ‘Goh,’ zei Emilie alleen. Ze wilde ineens het liefst nu meteen naar huis om te gaan lezen. En dat kon ook, want Hanna zei dat ze nu toch echt met het eten moest beginnen.

Vijf minuten later stond Emilie op straat en liet het manuscript in haar fietstas glijden. Toen ze terug naar huis fietste voelde ze zich wat lichter dan op de heenweg. haar straat had ook wat van zijn somberheid verloren. Misschien was de lucht lichter, ze wist het niet. Bovengekomen begon ze meteen te lezen.

Nu lagen de eerste blaadjes al ondersteboven. Daarin had Hanna het schip en de familie beschreven. En de afspraak die Hanna’s moeder had gemaakt om samen met Hanna een paar dagen te gaan logeren bij Machteld. En bij tante Dieuwke en oom Jacques natuurlijk. Emily kookte snel een simpele pasta om na het eten weer verder te lezen.

hoofdstuk 2 volgt binnenkort